zondag 21 maart 2010

Dit artikel gaat niet over porno

‘Dit is géén porno’ staat in zwangere letters boven het artikel. De eetjes van ‘geen’ dragen zelfs een kroontje. Die redacteurs toch. Ze passen sluwe technieken toe om de lezers aan hun letters te laten kleven.

Op het eerste zicht is er niets aan de hand. Bij het woord porno verschijnt gewoonlijk een parental advisory, maar aangezien het hier niét over porno gaat mogen de kindjes gerust meelezen. Het lijkt een eenvoudige negatie, zoals in de wiskunde. 1 ≠ 2 en daarmee is de kous af.

Taal is echter geen wiskunde. Deze uitspraak is toevallig ook een negatie. Wanneer we beweren dat taal geen wiskunde is linken we taal toch aan wiskunde, zelfs al zeggen we dat ze niet gelijk zijn. Er bestaat een relatie tussen beide, anders zouden we ze niet met elkaar vergelijken. We zeggen bijvoorbeeld niet ‘taal is geen badschuim’ omdat er nu eenmaal geen logisch verband tussen de twee is.

Wat gebeurt er in ons hoofd wanneer we ‘Dit is géén porno’ lezen? Onze hersenen maken razendsnel verbindingen. Neuronen schieten uit de startblokken en geven in ijltempo het woord porno als een estafettestokje door. Meteen veren allerlei associaties recht. De fabriek draait op volle toeren. “Hola!” roep je uit. “Valse start! Allen terug naar jullie plaatsen. Er staat wel degelijk ‘géén’ hé. Niet gezien misschien?” Maak dat je hersenen maar eens wijs. De neuronen staan al lang te zweten aan de finish, met een leger van prikkels aan hun zijde.

Waarom we ontkenningen gebruiken? Omdat we sluwe profiteurs zijn. We houden ons zogezegd afzijdig en staan braaf aan de zijlijn, maar gaan wel met de voordelen lopen. We zeggen mooi dat het niét over porno gaat, maar ondertussen is de aandacht bij de lezers wel vlijmscherp. Ofwel zijn we roekeloze idioten, ons niet bewust van het grote gevaar dat naar ons loert. Neem het voorbeeld van een politicus die zegt “ik ben géén leugenaar”. Geloof je wat die zegt? Hoe harder hij roept, hoe meer twijfels hij zaait. Het woord leugenaar kerft immers veel diepere groeven dan het zwakkere ‘geen’.

Let dus alsjeblieft op als je nog eens een ontkenning tegen het lijf loopt of er zelf één wil gebruiken. En voor al die neuronen die tijdens het lezen van dit artikel de wildste associaties tevoorschijn hebben getoverd: ik zei toch dat het niet over porno zou gaan.

dinsdag 2 februari 2010

Mobiele ogen

Met z’n tweeën snoezen ze arm in arm de Kunstberg af. Jong stel op citytrip naar Brussel, veertien dagen voor Valentijn.
Net of de liefde een spel speelt: dezelfde kleur van jas, identiek brilmontuur, verstrengelde sjaal…
Voor het muziekinstrumentenmuseum houden hun benen halt. De ene arm voor eeuwig aan die van de andere verankerd. In de nog vrije hand houden ze, elk apart, een oogje vast – dat ook dienst doet als oortje, maar nu even niet.
Met een knip staan de twee identieke plaatjes erop: nee, niet de naar de keel grijpende art-nouveaugevel van het museum, wel het grijze gewelf van het congresgebouw.
Zo nemen ze de stad in zich op: met parallelle uitwendige ogen – dat geeft dieptezicht. De controle over de vier kijkers op hun hoofd is immers overgenomen door de inwendige lavastromen waartegen zelfs geen muziekgevel bestand is.

dinsdag 8 december 2009

5 voor 12 voor Kopenhagen! Anders fluit straks niemand nog op z’n plaats

Met een hoofd vol snot daal ik de trappen van de Kunstberg af. Als een barende moeder richt ik alle aandacht op mijn ademhaling: in door de neus, uit door de mond. Zo probeer ik te verhinderen dat er een koude luchtstroom ongefilterd m’n strot in vliegt.

Op de onderste trede sluipt er een klank m’n trommelvliezen binnen, eentje die niet in het plaatje van een bijnawinteravond thuishoort. Ik hoor het gefluit van een bronstige jonkheer over het parkje heen galmen. Die gevleugelde moest al lang in bed liggen en dromen van lenteavonden met toestemming van de dienst straatmuzikanten om springerige wijfjes te trakteren op passionele aria’s. Ik speur de horizon af op zoek naar een lijf met vleugels.

Brengen de priemende spots die vanuit de hemel het landschap in lichterlaaie zetten de arme flierefluiter misschien uit zijn bioritme? Of is het een actie van Greenpeace om de aandacht te trekken op het veranderende klimaat, net op de openingsdag van de conferentie in Kopenhagen? Zelfs al gaat het om een beest met veren en stereostembanden, ik voel me er onwennig bij: die vogel fluit hier immers niet op z’n plaats.

vrijdag 23 oktober 2009

Latex en hoogspanning op het Koningsplein


Hoog bezoek op het Brusselse Koningsplein. Met twee zijn ze gekomen. Glimmend in het rood gluren ze zonder gêne naar de wriemelende massa op de plaza. Bolle kaken en een feestneus, de pret kan niet op.
Dagen knipperen voorbij. De gasten zijn er nog – alsof ze hun tent op het plein hebben geplant –, maar de passanten kijken steeds minder op.
Hun ooit zo strakke latexhuid verschrompelt zienderogen, tot er niet veel meer rest dan een paar verwelkte teelballen die uitgeput te drogen hangen aan de waslijn van het genot.
Twee verdwaalde bosjes ballonnen, vastgeketend aan de hoogspanningslijn: de essentie van het leven in tien bedrijven, van jeugdig gepronk tot krampachtig verval.

Magritte in Brussel 2


Magritte in Brussel 1


maandag 19 oktober 2009

Volkse wijsheid op het referendum in Antwerpen

"Een spleet is een spleet" zegt een slechtziende oud-strijder wanneer hij te horen krijgt dat hij zijn ingevulde brief in een andere stembus moet steken.

dinsdag 13 oktober 2009

Hoe Dries Van Noten mij uit evenwicht bracht

Wanneer mijn dochtertje Klaas Vaak ziet naderen begint ze hevig in haar ogen te wrijven, alsof ze die verschijning voor eeuwig van haar netvlies wil vegen. Toen ze enkele maanden oud was kon ik haar nog misleiden door haar in de armen te draperen en de golven van de zee na te bootsen. Die verf pakt ondertussen niet meer. Niet dat ze nu zeeziek wordt, ’t is eerder dat het schuim op haar lippen komt te staan. Een slaapliedje misschien? Ooit al Bach losgelaten op een bende skinheads die oog in oog staat met een groep anarchisten? Nee, mijn dochter moet de wereld ontdekken en maakt daarvoor elke hindernis vakkundig onschadelijk.

De operatie slaap is behoorlijk riskant. Als ik faal krijst mijn ukkie als een volleerde dame de vogels van hun tak. Om te slagen heb ik de voorbije maanden een strategie ontwikkeld die ik B+ noem, waarbij de B staat voor balance en de + voor net iets meer.

Vergelijk het met een surfer die een gigantische golf nadert. Als die frontaal tegen de watermuur vlamt, breekt ie z’n botten omdat deze niet zijn opgewassen tegen de natuurkracht. Streven naar een evenwicht zou dan weer betekenen dat de surfer en de golf elkaar omhelzen en de waterrat uiteindelijk zonder kick op het strand belandt. Wil hij echter in vrijheid over de welvingen der diepzee laveren dan moet hij op zoek gaan naar de B+: daar waar je net niet (meer) in evenwicht bent.

Evenwicht heeft meestal een positieve bijklank. Denk maar aan een evenwichtige voeding of een evenwichtig huwelijk. Het smaakt naar harmonie en rust. Zowel professioneel als privé huren we detectives in om het bij de kraag te vatten, in een kooitje te stoppen en op ons bureau te etaleren.

Toch rommelt er iets. Ik herinner me beelden van een Australische boerderij die er volstrekt vredig uitzag totdat de boer de deur van zijn graanschuur opende en er een tsunami van muizen uitstroomde. Ik wil maar zeggen: schijn bedriegt. Evenwicht is geen idyllisch berglandschap met een kabbelend beekje en een winderige koe, maar een hogedrukpan die elk moment kan ontploffen.

Wat heeft dit nu met mijn slapeloze dochter te maken? Ik zou, wanneer ik haar in slaap wieg, kunnen zoeken naar evenwicht. Dat betekent dat ik met hetzelfde aantal manschappen als zij het strijdveld betreedt. Resultaat: een verbeten uitputtingsstrijd waarbij we op het einde totaal uitgeput in elkaar zakken. Brute kracht dan? Liever niet, want mijn lieveling archiveert alle handelingen nauwgezet in een achterkamer van haar geheugen. Eenmaal groot zou ze wraak kunnen nemen, op mij.

Het is Dries Van Noten die me naar de B+ heeft geleid. Zo stond ik naar zijn zomercollectie te kijken toen ik plots tot de vaststelling kwam dat ik mijn schat op dezelfde manier doe inslapen als Dries Van Noten zijn modellen kleedt: door net boven het evenwicht te mikken.

Laat me even verduidelijken wat ik bedoel. Een gemiddelde sterveling zou nooit op het idee komen om zich te kleden als het model in de etalage. Die combinatie druist nu eenmaal in tegen de gangbare esthetische norm waarbij kleuren in evenwicht moeten zijn. Die van Dries Van Noten vloeken en revolteren, maar doen dat met stijl. Je kan hun dialoog volgen, ze prikkelen. Het ene moment schreeuwen ze, het andere hoor je ze schateren of fluisteren. Net het feit dat die kleuren een stap van het evenwicht zijn verwijderd geeft ze leven.

Hoe je bij de B+ komt? Er bestaat geen gps die je er naartoe voert, evenmin een stappenplan zoals bij een Ikeakast. Je bereikt het enkel door je doel met alle zintuigen in je op te nemen, te doorgronden als een strateeg en er een portie verbeelding overheen te strooien. Vertaald naar mijn slapeloze dochter gaat het om een haasje-over-spel waarbij ik haar met sprongetjes over het evenwicht geruisloos naar de grote dromer leid.

Ik ben me ervan bewust dat mijn strategie botst met de succes-in-1-minuut- en feel-good-theoriën die momenteel als zoete wraps verkopen. Met de B+ scheur je immers niet recht door zee of hang je niet al zennend twintig meter boven het wolkendek. Nee, onevenwichtige sprongetjes, daar gaat het om. Probeer maar.

donderdag 24 september 2009

De vinger diep in het koninklijk gat moeten steken is onrechtvaardig

Op het Brusselse Koningsplein is de vierwieler vorst en de tweevoeter nar. Een lichtpaal bepaalt als een anoniem goddelijk gezag wanneer het plebs de rode loper mag kruisen. Naar de adellijke rijtuigen lonkt die uitdagend, de poters mogen zich blindstaren op een immobiele verschijning.

Na lange protesten en onder druk van de internationale gemeenschap heeft de hogere heiligheid ingestemd met een beperkte vorm van participatie. De slakken mogen met hun vinger op de paal drukken. Als die goedgezind is houdt die op met knipperen en verleidt ie de rokers om even uit te blazen, waarna de stoet manke ganzen de laan kan overwaggelen.

Daar de betere stand wel van een goede grap houdt heeft die er niets beter op gevonden dan het knopje van de lichtpaal te ontmantelen waardoor de vinger verdwijnt in een hol karkas. Grinnikend schuiven de sleeën voorbij.

Zolang de lagere mens op een knopje mag drukken en daarvan een effect ziet – het bewijs van zijn bestaan – schikt hij zich zonder al te veel gespartel naar zijn lot. Maar als er iets is waar hij een hekel aan heeft is het wel het getreiter. De vorst mag dan nog rechtstreeks zijn aangeduid door een straal uit de hemel, zelfs de vlo heeft het recht zich voor te bewegen.

In plaats van te wachten op de genade trekt de opstandige kudde zonder zich ook maar iets van het geknipper of gekleur aan te trekken de rijbaan over. Wanneer een mobiel de meute van de weg wil vegen krijgt die als antwoord ‘steek uw vinger in uw eigen gat’ toegeschreeuwd.

Schoonheid onderweg

Haar zwarte haren hangen voor haar ogen. Achter het struikgewas verbergt zich een gelaat uit het verre oosten. Ze kijkt niet op. Om haar in het vizier te krijgen moet ik mijn hoofd lichtjes draaien.

Een jongeman neemt plaats tegenover mij. Beetje mollig, wild ringbaardje, haren tot in de nek, nonchalante jeans en een kringloopvest. Hij leest geen boek, heeft geen doppen in de oren en kijkt vredig naar de schone verschijning schuin tegenover hem.

Hij neemt de vrouw volledig in zich op, maar doet dat sereen, alsof hij naar een pianoconcert luistert of een schilderij van Monet bewondert. Ik kijk naar haar via hem.

Wanneer zij opstapt en de wagon verlaat schuift hij zijn tanden ritmisch over mekaar, licht gefrustreerd alsof de klank tijdens het concert net is uitgevallen. Hij kijkt haar nog na, maar draait dan zijn hoofd weer naar de lege stoel. Zo blijft hij nog een tijdje staren totdat zij helemaal van zijn netvlies is verdwenen.

Westernheld

Als een gepantserde held stap ik naar de badkamer om een nieuwe luier voor m’n dochter te halen. Ik loop op wolken, mijn krachten overstijgen die van een sterveling. In de spiegel zie ik mezelf als jongetje van vijf dat net naar the A-team heeft gekeken en nu de wapens opneemt om het kwade te bestrijden. En ik dacht dat zoiets met de jaren zou wegsmelten. Op m’n dertig kom ik uit de western 3:10 to Yuma met een cowboyhoed op m’n kop.

dinsdag 5 mei 2009

Helden voor dummies

Van Fuentes over Claus tot Brouwers

De tempel zit overladen vol. Het gewelf lijkt op de onderkant van een ruimteschip, ontsnapt uit Space Odyssey. Het gedimde licht zuigt mijn blik naar het altaar, waar de priester predikt. Zijn Latijn stijgt boven de massa uit. De gelovigen herkennen flarden, net voldoende om de geest te ontvangen.

Zijn naam is Carlos Fuente. Ik noem hem gemakshalve de Mexicaanse Hugo Claus: jaarlijks duikt hij op in de lijstjes voor de Nobelprijs, maar steeds grijpt hij ernaast. De intellectuele mensheid draagt hem op handen. Hij ligt op ieders lippen, maar wordt door niemand gelezen.

Naar aanleiding van zijn tachtigste verjaardag is hij uitgenodigd op het literaire festival Passa Porta. De maestro spreekt zijn fans in het Frans toe, als een virtuoos die op late leeftijd zijn roeping heeft ontdekt: grammaticaal correct, maar met een tongval die zijn roots niet kan bedekken. Het klinkt als Spaans, maar dan in het Frans. Mijn hersenkwab is danig in de war. Wat overblijft is ruis. In plaats van te vertellen over de tachtig grandioze jaren die achter hem liggen, geeft hij een bloemlezing over de literatuur op het Amerikaanse continent, van vóór de conquista tot nu, waarbij hij een resem auteurs de revue laat passeren. Het publiek is tevreden, want daar staat hun held.

We hebben iemand nodig om naar op te kijken. Als kind is dat papa of mama. De tijd brengt inzicht en stoot verwekkers al snel van hun sokkel. Daarna verschijnen artiesten aan de hemel. Je imiteert zelfs de manier waarop ze met hun ogen knipperen om nog maar in de buurt van hun schaduw te komen. Eenmaal de eerste stralen van volwassenheid je hebben bereikt vallen ook die sterren. Je neuriet hun Bijbelteksten nog steeds mee, maar je zou één van hen niet meer kiezen om je laatste dagen op een onbewoond eiland mee door te brengen. Op zoek dus naar nieuwe helden.

Een held moet iets te zeggen hebben. Het kan een guerrillero zijn die de wapens heeft neergelegd, een voormalig politicus die tot inzicht is gekomen of een kunstenaar die de wereld inpakt, als hij maar boeken schrijft. Niet over koken, wel over alomvattende dingen die ver genoeg van de dagelijkse realiteit staan, maar toch herkenbaar zijn. Een held laat je kamers zien waar je nooit eerder bent geweest.

Helden maken deel uit van jezelf. Je draagt ze met je mee, als een sjaal, of een hoed. Hun namen staan vermeld op je visitekaartje of Facebookprofiel: geïnspireerd door ... . Zeg me wie je helden zijn en ik vertel je wie je bent. In De Morgen gaan toppolitici in gesprek met hun inspiratoren. Op Canvas vertellen bekende koppen in Lux XL uit welke bronnen ze hun melk halen. Met Gandhi, Mandela of moeder Teresa scoor je niet meer. Je moet minstens een paar namen kunnen noemen waarvan de grote meerderheid nog nooit heeft gehoord. Een naam opwerpen is als een wachtwoord waarmee je toegang krijgt tot een geheim broederschap.

Als kind dweepte ik met Michael Jackson. Wanneer mijn mentale capaciteit begon toe te nemen liet ik hem vallen voor Peter Garett van Midnight Oil. Een boomlange kale kerel die faam verwierf door spastisch te dansen en die de wereld een geweten schopte door te zingen over het sociale onrecht dat Australië de aboriginals aandeed. Op de middelbare school gaf ik er een spreekbeurt over, op een moment dat niemand van mijn klas ooit van een didjeridoo had gehoord en anderen over hun duiven spraken. Uit Michael Jackson ben ik volledig verveld. Van Midnight Oil durf ik nog af en toe een cd opzetten. Onlangs vernam ik dat Garett de muziek achter zich gelaten heeft en het tot milieuminister heeft geschopt, een carrièrezet het heldendom waardig.

Wanneer ik op de universiteitsbanken belandde droomde ik ervan om een goeroe te ontmoeten: iemand die het mysterie in drie woorden zou vatten. Ik was op zoek naar een metafysische ervaring van volledige overdondering, een intellectuele knock-out, een goddelijke licht dat de wetten van het heelal zou onthullen. Zoals Plato leerling was van Socrates, Van Dyck van Rubens en Jung van Freud, zo hoopte ik ooit mijn leermeester tegen het lijf te lopen. Hoogmoed komt niet voor in het woordenboek van een achttienjarige. Helaas, ik heb weinig helden ontmoet. De meeste proffen stegen niet boven hun spreekgestoelte uit.

Om mijn desillusie niet verder op de spits te drijven maakte ik mezelf dan maar wijs dat niemand dé waarheid verkondigt omdat die nu eenmaal niet bestaat. Elke kennis is immers afhankelijk van de manier waarop je naar de dingen kijkt. In ‘Geheime kamers’ schrijft Jeroen Brouwers: “Trouwens: wat is de waarheid, ‘de’ waarheid, en doet die er iets toe?”.

Brouwers is iemand die nog wel in m’n lijstje van helden thuishoort. Ongelooflijk hoe hij in één adem jongleert met duizend woorden en erin slaagt gedrochten aan elkaar te rijgen tot parels. Vorig jaar gaf hij een lezing in Brussel, naar aanleiding van een nieuw boek. Ik was wel nieuwsgierig naar de mens achter Brouwers dus ik daar naartoe. Een zaaltje bomvol kwijlers. Het heeft iets van voyeurisme: je zou die arme man zelfs op toilet vergezellen om het geheim achter zijn genialiteit te doorgronden.

Het is geen pretje om als held steeds weer te verschijnen voor een publiek vol psychopaten die beter dan jezelf weten wat er op regel X van pagina zoveel van dat ene boek staat geschreven. Voor de zoveelste keer mocht Brouwers antwoorden op de vraag of zijn boeken nu autobiografisch zijn of niet. De interviewer die zijn heldenstatus voelde stijgen door naast de paus himself te zitten, glimlachte geniepig, alsof hij de eerste was die ooit deze vraag had gesteld. Het antwoord speelde allang geen rol meer, de interviewer belandde in de annalen, op schoot bij Brouwers.

Ik beken schuld. Ook ik heb deelgenomen aan de poppenkast. Op het einde van de voorstelling van Fuentes hebben mijn vrouw en ik de schrijver aangeklampt met de vraag om even op de foto te gaan met onze kleine spruit die zeker zijn jongste toeschouwer was. Zo’n onlinefoto zou haar status gegarandeerd doen pieken.

Laten we voortaan het volgende afspreken: dat iedereen gewoon zijn ding doet. Laat schrijvers schrijven, schilders schilderen, zangers zingen, in plaats van clowns te maken die we aankleden als iconen. Of is dat de tol voor het heldendom?